Blog van de Moed


Morele Moed vanuit wetenschappelijk perspectief

Rien Schalkwijk, 8 april 2015


Met de toenemende individualisering van de maatschappij maken formeel opgelegde normen plaats voor persoonlijke keuzes. De overheid vormt geen vanzelfsprekend vangnet meer voor haar burgers. Er wordt in toenemende mate zelfredzaamheid gevraagd van individuen. In het bedrijfsleven kennen we de term "job crafting." Job crafting is de mate waarin een individu in staat is zelf zijn/haar eigen functie/rol zodanig te optimaliseren, dat deze maximaal "past". Vaak worden hierin vier onderscheidende elementen gebruikt: De mate waarin iemand in staat is om functionele hulpbronnen aan te wenden, de mate waarin iemand in staat is om sociale hulpbronnen in te schakelen, de mate waarin iemand belemmerende elementen uit zijn functie kan halen en tot slot de mate waarin uitdagende, positieve elementen naar binnen kunnen worden gehaald. Maatschappelijk gezien zien we dat  "life crafting" een steeds belangrijker begrip wordt. Binnen de persoonlijke invloedssfeer van een individu verwachten we dat deze in staat is om zijn/haar leven te optimaliseren door zelfstandig functionele en sociale hulpbronnen aan te boren, negatieve elementen te schrappen en positieve elementen toe te voegen. 

Onze vrije markt economie maakt graag en veelvuldig gebruik van dit gegeven. Het valt mij op dat er steeds vaker sprake is van (het) morele moet(en). Er komen steeds meer individuen, bedrijven en andere entiteiten die het optimaliseren van het welbevinden van een individu als hun primaire inkomstenbron beschouwen. Vaak met open vizier, maar ook steeds vaker met discutabele beweegredenen. Beweegredenen die niet vanzelfsprekend leiden tot het verhogen van levenskwaliteit. Talloze bedrijven, bedrijfjes en individuen willen zich "bemoeien" met ons welbevinden. Vaak ligt de bron bij zelf ervaren positieve ervaringen van aanbieders die in eerste instantie om morele redenen en later om commerciële redenen "verkocht" (moeten) worden aan anderen. Coaching is hiervan een voorbeeld. Iedereen mag zich coach noemen, maar slechts weinigen kunnen daadwerkelijk coachen. Steeds minder mensen die écht een coach nodig hebben, kunnen een goede vinden. Er is meer kaf dan koren. Tot zover niets nieuws onder de zon. Wat wél nieuw is, is dat mensen door social media en tv steeds dwingender worden bewogen om hun welbevinden in handen van derden te leggen. 

Van ben-je-eigen-God-trainingen tot coaching, van yoga tot het eten van super food. Alles lijkt maak- en beïnvloedbaar. En natuurlijk kun je je levenskwaliteit zelf positief beïnvloeden. Maar niet alles. Waar veel organisaties proberen geld te verdienen met positief welbevinden zijn er in toenemende mate organisaties die dat met het omgekeerde proberen te doen Steeds meer organisaties van algemeen nut (Hartstichting, ALS-stichting etc.) proberen door het oproepen van emoties als afschuw, angst, verdriet en onrust geld in te zamelen. Effectief, maar bedenkelijk. Morele moet. Of het nu gaat om de positieve of negatieve benadering van individueel welbevinden, is is in toenemende mate van belang dat een individu is staat is zelfstandig keuzes te maken. Ook als de meerderheid een andere keuze maakt. Sta op voor wie je bent. Heb de moed om zo min mogelijk te moeten en daadwerkelijk te kiezen wat voor jou belangrijk is. Bewust. Uit je comfortzone komen? Waarom? Verbetert het je welbevinden? Nee? Niet doen dan! Laat niemand je iets opleggen. Durf te denken en te betwisten. Durf jezelf te zijn. Voor die durf heb je moed nodig. Het goede nieuws is dat iedereen beschikt over morele moed. En mocht je zelf menen te weinig morele moed te hebben, dan is het goede nieuws dat het ontwikkelbaar is. 


Hoe werkt Morele Moed dan? Wat is het? 

Een veel gebruikte definitie van Morele moed is die van Bierhoff (2002): “Prosociaal gedrag met hoge sociale kosten en geen of een zeldzame directe beloning voor de Vertoner.” Greitemeyer, Osswald, Frey, & Fischer (2007) omschrijven “Morele moed” als een synoniem voor “Civiele Moed” dat refereert naar het Duitse word “zivilcourage”. Frey, Schaefer & Neumann (1999) vullen dit aan met: “In situaties die vragen om een ​​moreel moedige interventie komen gevallen van onrecht voor, worden mensenrechten geschonden, zijn personen oneerlijk of worden op een vernederende manier behandeld, of is natuur en cultureel erfgoed in gevaar; deze situaties gaan over discriminatie van buitenlanders of andere minderheden, over geweld en agressie tegen zwakkere individuen, over seksuele intimidatie of misbruik, pesten of illegale bedrijfspraktijken.” 

Morele moed wordt ook gedefinieerd als: “De expressie van persoonlijke inzichten en waarden tegen het licht gezien van tweedracht en afwijzing” en “als een individu opstaat ten opzichte van iemand met macht over hem of haar in het grotere belang (Lopez, O’Byrne & Petersen 2003).

In het Jaarboek Integriteit 2012 (Bureau Integriteit Bevordering Openbare Sector (BIOS), 2012) worden de drie elementen van morele moed: “Moraliteit, Gevaar en Volharding” (Kidder 2005) beschreven. Hieronder volgt per element een korte beschrijving:

 

Moraliteit
De moed om moreel te handelen. Moraliteit is een samenstelsel van waarden, normen en verantwoordelijkheden. Tegenover morele moed staat amorele moed en immorele moed. Een voorbeeld van amorele moed is fysieke moed. Fysieke moed bestaat bijvoorbeeld uit het overwinnen van angst voor hoogtevrees bij parachutespringen. Het belangrijkste onderscheid is dat morele moed altijd betrekking heeft op moed waarden en normen. Er is ook immorele moed: moed kan goed zijn, maar is dat niet altijd. Moed is ook in te zetten voor slechte zaken. Bijvoorbeeld de moed om in te breken.

 

 

Gevaar
Morele moed is nodig om de gevaren van moreel handelen te trotseren. Moed staat voor: goed omgaan met je angsten voor het gevaar, niet kiezen voor de weg van de minste weerstand. Zonder enige vorm van gevaar heeft het geen zin om over moed te spreken. Dit gevaar kan vele vormen aannemen. Naast het gevaar voor lijf en leden zijn er ook vormen als: verlies van positie en inkomen, weigering met iemand zaken te doen, publieke afkeuring, ridiculisering (roddelen en bespotten), sociale isolatie en smaad. 

 

 

Volharding
Naast moraliteit en gevaar is volharding de derde onmisbare factor voor een goed begrip van moed: je rug recht houden, ondanks het gevaar. Moed betekent overigens niet dat je geen angsten kent; een gebrek aan angst voor gevaren is eerder een teken dat iemand belangrijke menselijke eigenschappen mist. Angsten zijn juist belangrijk omdat ze ons beschermen tegen overmoed. Volharding staat dus niet voor het ontbreken van angsten.   

 


De mate waarin een individu morele moed kan vertonen is afhankelijk van zijn morele beoordelingsvermogen en de hiermee gepaard gaande handelingsbereidheid. Binnen de ontwikkelingspsychologie hebben Piaget en Kohlberg de standaard gezet op het gebied van het doen van onderzoek naar morele ontwikkeling (bij kinderen/adolescenten). Hun onderzoek is enerzijds veelvuldig bekritiseerd en anderzijds doorontwikkeld door talloze andere gerenommeerde onderzoekers zoals James Rest. Het gaat te ver om het uitgebreide veld van onderzoek hier te beschrijven. Het morele oordeel is echter een cruciale factor in relatie tot morele moed. Om de complexiteit hiervan te schetsen is het model van Schwartz (2002) een goed referentiepunt. Het maakt duidelijk welke factoren/actoren van invloed zijn op het ontwikkelen van het morele oordeel en morele moed.


 

Cognitieve processen in relatie tot morele moed

Te weten wat morele moed is en het belang daarvan (h)erkennen is belangrijk. Maar zoals Kruiper (2015) constateert; moed impliceert een handeling. Waaruit ontstaat die handeling? Wat is de rol van emoties en het denken bij het vertonen van morele moed? Slot en Van Aken (2010) beschrijven morele ontwikkeling als de met de leeftijd toenemende neiging het goede te doen en het kwade na te laten. Het gaat in de eerste plaats niet om het gedrag, maar om een bepaalde manier van oordelen over situaties en gedragingen, namelijk in termen van goed en kwaad: het oordelende besef (cognitie). Slot en Van Aken (2010) stellen dat morele oordelen niet zijn gebaseerd op persoonlijke voorkeuren of arbitraire conventies, maar op het gezag van een morele norm die altijd en overal geldt. Ze geven aan dat andere oordelen (bijvoorbeeld persoonlijke voorkeuren) onder andere omstandigheden anders beoordeeld kunnen worden. De oorsprong van onze neiging om situaties of gebeurtenissen te beoordelen in termen van goed en kwaad worden gezocht in onze evolutionaire voorgeschiedenis. 

Hoffman (2010) stelt dat de grondslag voor moreel oordelen wordt gevormd door empathie. De hersengebieden die hierbij een rol spelen zijn enerzijds de emotionele en motiverende processen in het limbische systeem en anderzijds de cognitieve processen in de prefrontale en temporale cortex. De neiging om situaties te beoordelen in termen van goed en kwaad is heeft een biologische basis. Als gevolg van de biologische aanleg kunnen kinderen al op jonge leeftijd oordelen over goed en kwaad. De ontwikkeling van het morele oordeel is met name het gevolg van het toenemen van empathisch vermogen dat op zijn beurt weer het gevolg is van het ontwikkelen van sociaal-cognitieve vaardigheden. In combinatie met het vermogen tot empathie vormt het elementaire besef van verantwoordelijkheid de basis voor het vermogen om zich schuldig te voelen. Dit leidt tot minder norm-overtredend gedrag.

Meijering (2014) heeft in zijn promotieonderzoek aangetoond dat empathie of invoelingsvermogen te trainen is. Zijn uitgangspunt was de theory of mind of “ToM.” De Theory of Mind is het menselijk vermogen om zich een beeld te vormen van het perspectief van een ander. Dat proces kan alleen intuïtief door middel van introspectie omdat directe toegang tot de geest van een ander niet mogelijk is. Het hebben van een theory of mind maakt het mogelijk om gedachten, verlangens en intenties van anderen te voorspellen en/of hun bedoelingen en acties te verklaren. Theory of mind lijkt een aangeboren potentiële vermogen bij de mens, maar sociale of andere ervaringen kunnen deze tot bloei brengen. Verschillende mensen kunnen meer of minder effectieve theorieën van de geest te ontwikkelen. Theory of Mind is een noodzakelijke vaardigheid om empathisch te kunnen zijn. 

Meijering (2014) heeft in zijn studie naar high-order theory of mind of het redeneren over andermans denken (hij noemt dat meta-denken) aangetoond dat mensen beter worden als ze trapsgewijs oefenen. Hij stelt dat meta-denken een trainbare cognitieve vaardigheid is. Vanuit het uitgangspunt dat de kwaliteit van individuele morele moed afhankelijk is van de mate waarin een individu empathisch is, kan worden afgeleid dat morele moed eveneens getraind kan worden. 

Terug naar Hoffman (2010): De mate waarin mensen empathie ontwikkelen wordt bepaald door (sociaal) cognitieve ontwikkeling. Sociale cognitie gaat over hoe mensen selecteren, interpreteren, onthouden en informatie gebruiken om dingen te beoordelen en besluiten nemen. In ons dagelijks leven zijn we geneigd om “automatisch” te denken. Dit is een proces dat onbewust verloopt. Deze wijze van denken relateert eerdere gebeurtenissen aan de actuele situatie. Omdat te kunnen maken onze hersenen gebruik van schema’s. Die schema’s structureren de kennis in ons hoofd. Afhankelijk van de bereikbaarheid van de schema’s, zullen we ons iets sneller/beter kunnen herinneren. Recente gebeurtenissen zijn eenvoudiger bereikbaar voor ons geheugen. We noemen bovenstaande priming van het geheugen. Automatisch denken verloopt via korte wegen om snel te kunnen reageren. Dit noemen we de Judgemental Heuristic. In ons denken zijn we bovendien geneigd om onze beslissing te baseren op informatie die het eerste bereikbaar was (availability heuristic). Matlin (2014) noemt als voorbeeld dat je inschat hoeveel bedrijven onethisch gedrag vertonen op basis van voorbeelden in de krant over onethische bedrijven. Daarnaast hebben we de neiging om onze reacties te baseren op stereotypen (representativeness heuristic). Matlin (2014) schetst het volgende voorbeeld: Als je een munt 6 keer in tost, lijkt 6 keer “kop” onwaarschijnlijk. Hierdoor ontstaat de neiging dat we door ons sterke denken andere belangrijke informatie negeren, zoals de omvang van het voorbeeld. 

De complexe factor bij het vertonen van Morele moed is dat vaak niet alle informatie bekend is om op basis van deductive reasoning een oordeel te vormen. De uitgangspunten kloppen vaak niet, logica alleen is vaak ontoereikend, voorliggende keuzes zijn niet goed/fout. Gedurende het proces is in veel gevallen de benodigde informatie niet beschikbaar. Er ontstaat daardoor een proces van decision making waarin de beschikbare informatie beoordeeld moet worden er een keuze moet worden gemaakt uit twee of meer alternatieven. Dit proces is complexer met een grotere foutkans. Matlin (2014) geeft aan dat er geen eenduidige regels beschikbaar zijn om van informatie naar de conclusie te komen. Het is in een aantal gevallen zelfs niet mogelijk om achteraf te beoordelen of de conclusie juist was. Soms is het geval van de beslissing niet meteen zichtbaar. Er is een bepaalde onzekerheidsfactor. Juist het bestaan van die onzekerheidsfactor vereist moedig handelen. 

Het begrijpen van de beginselen van, en ontwikkelen van vaardigheden in problem solving kan helpen bij het nemen van (de juiste) beslissingen. Hierdoor kunnen mensen zich zekerder voelen en de neiging ontwikkelen om moediger te zijn. In dit praktijkplan zal problem solving niet verder worden uitgelicht om de complexiteit en de toepasbaarheid van het plan niet negatief te beïnvloeden. 

Van oordelen, naar moreel oordelen: Kohlberg en Piaget maar ook veel andere onderzoekers zien moreel oordelen niet als oordelen over goed en kwaad maar het rechtvaardigen van een oordeel. Morele rechtvaardigingen spelen een belangrijke rol in communicatie met anderen over een gegeven moreel oordeel. Het rechtvaardigen van een moreel oordeel kan ook leiden tot systematisering: Bezwaar tegen het dragen van bontjassen die gemaakt zijn van hiervoor gefokte nertsen zal eenvoudig leiden tot bezwaar tegen het dragen van bontjassen die gemaakt zijn van konijnen.

Van Erp (2000) onderscheidt twee vormen van moraliteit. In eerste instantie ontwikkelt zich heteronome moraliteit. De bron ligt hierbij buiten het individu zelf. Het goede doen is gehoor gegeven aan hetgeen de wet voorschrijft of een autoriteit opdraagt (bijvoorbeeld ouders). Deze vorm van moraliteit ontwikkelt zich bij kinderen tot 10 jaar. Naarmate een kind meer sociale interactie krijgt en meer geconfronteerd wordt met wederkerigheid waardoor het wordt uitgedaagd het perspectief van de ander in te nemen neemt de kans toe dat het denken plaats maakt voor een autonome moraliteit. Hierbij worden morele oordelen niet enkel gerechtvaardigd door te wijzen op de gevolgen maar ook op de bedoelingen van de veroorzaker. Hier is perspectief van de ander voor nodig: sociaal perspectief.

Volgens Rest (1983) zijn er vier soorten factoren die bepalen in hoeverre het morele besef van een individu van invloed is op hoe hij of zij zich gedraagt:

  • De wijze waarop de situatie wordt geïnterpreteerd (interpretatiefactor).
  • Het morele oordeel dat iemand heeft over een bepaalde situatie (oordeelsfactor)
  • De mate waarin het morele oordeel wordt meegewogen in de uiteindelijke beslissing zich op een bepaalde manier te gedragen. (wegingsfactor)
  • De vasthoudendheid waarmee men een eenmaal genomen besluit ook daadwerkelijk uitvoert. (vasthoudendheidsfactor)

Samenvattend is moed de morele kracht waaruit een mens ondanks angsten, conflicten en tegenstelling kan handelen naar eigen opvatting en geweten. Moed is een kernbegrip in ons leven dat ons helpt om met onze angsten om te gaan. De beloning is zelfvervulling en trots. Door moed te tonen, conflicten aan te gaan, en tegenslag te overwinnen kom je tot een diep besef waar je voor staat. De mens die morele moed vertoont in zijn handelen is in staat om “het goede” te dienen. Door morele moed te tonen zal een emotionele beloning volgen in de vorm van zelftrots, maar wellicht nog belangrijker: zullen de hersenen zich gaan ontwikkelen. De beoefenaar zal steeds gemakkelijker met angsten kunnen omgaan en steeds vaardiger worden in het effectief tonen van morele moed. Dit is in het belang van het individu, maar ook in het belang van de ander of de uit te voeren taak. Van morele moet naar morele moed ontwikkelen is haalbaar. Ook als je niet zo dapper bent. Ook als je introvert bent. Ook als je het spannend vindt. Je kunt het zelf. De sleutel ligt bij zelfreflectie. En natuurlijk mag je daarbij hulp vragen. Ook bij mij. Zolang je maar realiseert dat er maar één persoon weet wat goed voor jou is: jij zelf! Ik wens je veel morele moed toe.


Bronnen:

Bierhoff, H. W. (2002). Prosocial behavior. New York, NY: Psychology Press.

Bureau Integriteits Bevordering Openbare Sector (BIOS). (2012). Jaarboek Integriteit. Geraadpleegd op 2 januari 2015 http://www.integriteitoverheid.nl/fileadmin/BIOS/data/Brochures/BIOS_Jaarboek_Integriteit_2012.pdf

Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector (BIOS). (2010). Wat is Integriteit. Geraadpleegd op http://www.integriteitoverheid.nl/over-bios/wat-is-integriteit.html

Erp, H. van. (2000). Moraal, geluk en verantwoordelijkheid: Een filosofisch onderzoek naar de betekenis en het object van moed verplichting. Van Gorcum, Nederland: ThiemeMeulenhoff.

Frey, D., Schaefer, M., & Neumann, R. (1999). Zivilcourage und aktives Handeln bei Gewalt: Wann werden Menschen aktiv? [Moral courage and intervention at violence: When do people become active?]. In M. Schaefer & D. Frey (Eds.), Aggression und Gewalt unter Kindern und Jugendlichen (pp. 265–284). Göttingen, Germany: Hogrefe 

Greitemeyer, T., Osswald, S., Frey, D. & Fischer, P. (2007). Erarbeitung eines Prozessmodells für Zivilcourage [Development of a process model form oral courage]. In R. Frankenberger, S. Frech, & D. Grimm (Eds.), Politische Psychologie und Politische Bildung–Analysen, Konzepte und Praxisberichte (pp. 114–138). Schwalbach, Germany: Wochenschau. 

Hoffman, M. L. (2000). Empathie and Moral Development. Cambridge, United Kingdom: Cambridge University Press.

Kidder, R. (2005), Moral courage, New York, HarperCollins 

Kruiper, E. (2015). De moedige mens. Geraadpleegd op 10 februari 2015. http://www.moedmoed.nl/Blog/

Lopez, S., O’Byrne, K. K., & Petersen, S. (2003). Profiling courage. In S. Lopez & C. R. Snyder (Eds.), Positive psychology assessment: A handbook of models and measures (pp. 185–197). Washington, DC: American Psychological Association. doi:10.1037/10612-012 

Matlin, M. W. (2014). Cognitive Psychology (9e ed.). Eeee, Signapore: John Wiley & Sons.

Meijering, B. (2014). Reasoning about self and others. Geraadpleegd op 12 januari 2015. http://www.rinekeverbrugge.nl/PDF/Supervisor%20for%20PhD%20Students/proefschrift-Meijering.pdf 

Rest, J.R. (1983). Morality. (In P.H.  Mussen (Ed.).Handbook of child psychology):  (4th ed.) Vol. 3:  Cognitive Development (In J.H.  Flavell & E.M. Markman,  Eds.)  (pp.556-629). New York:  John Wiley.

Schalkwijk, C.G.M. (2015). Morele moed; Praktijkplan voor het verhogen van morele moed bij Bestuurders in de Openbare Sector

Schwartz, S. H. (1992). Universals in the content and structure of values: Theoretical advances and empirical tests in 20 countries. P. 1-65 in Advances in Experimental Social Psychology, vol. 25, Orlando, Academic Press.

Sekerka, L. E., Bagozzi, R. P., & Charnigo, R. (2009). Facing Ethical Challenges in the Workplace: Conceptualizing and Measuring Professional Moral Courage. Journal, 89(4), 565-578. doi:10.1007/s10551-008-0017-5

Slot, W., & Aken, M. van. (2010). Psychologie van de Adolescentie (24e ed.). Amersfoort, Nederland: ThiemeMeulenhoff.

                                                          


Oudere Blogs

Feed
08-04-2015

De moedige mens


11-01-2015

De moedige Mens